Beurtveer zeilen met de Waterman

 

start van het Beurtveer

 

Beurtveer, vuurtoren van Workum

 

Beurtveer, matrozen

 

Beurtveer, lij

 

Beurtveer zeilen met de Waterman

 

Beurtveer, zon en wolken

 

Beurtveer, haven van Medemblik

 

Beurtveer, rust

 

Beurtveer, terugreis

 

Workum, na afloop van het Beurtveer

Beurtveer meezeilen met de Waterman? arno@zeilklipper-waterman.com

of 06-53111683



Beurtveer met de Waterman

Mijn armen branden. Ik ben verzuurd. Geen kracht. Naast me hoor ik de genua klapperen. Ik kreun, Bob draait stoicijns zijn rondjes mee. Alleen zijn ogen verraden vermoeidheid. Glazige blik, roodomrande ogen en diepe, diepe wallen. Ik tel de slagen voordat ik weer mag kijken van mezelf. Nog vijf, nog vier. nog drie..."Hé, draai die genua nou eens aan!" Heb ik nog de kracht voor een vernietigende blik naar achter? Ik geef alles en zie dat het ellendige ding voorlopig vrolijk doorklappert. Mamma, wat doe ik hier? Waarom sta ik me hier mijn zorgvuldig doorrookte longen uit mijn weldoorvoede lichaam te hijgen? Waarom, mamma. waarom? En waarom komt die golf buiswater trouwens altijd net als ik even naar voren kijk?

Omdat dat leuk is, kennelijk. Ik ben op stedenreis met de klipperaak Waterman van schipper Arno van Aartrijk. Het is niet bepaald een 'ik zit in mijn kuipje en drink een glas rose' -soort vakantie geworden. We varen de Beurtveer, één van de traditionele afsluiters van het charterseizoen. De bedoeling is zo snel mogelijk van Workum naar Durgerdam en weer terug te varen, onderweg een aantal verplichte havens aan te doen en, als we willen meedoen om de prijzen, nog een paar extra. Klinkt niet al te spannend, hoor ik u denken. Stelt u zich een loodzwaar stalen vrachtschip met twee masten voor, dat onder vol zeil op een kade afdendert. Voorop een eenzame man met een touwtje of een dregje in de hand. Want dat is het addertje onder het gras bij de Beurtveer. Motorgebruik na de start is ten strengste verboden. We vertrekken maandagmiddag. Het herfstzonnetje schijnt zachtjes op de vloot platbodems die de vaart uit worden getrokken. De Strontrace, een wedstrijd voor kleinere schepen naar Warmond en terug, vertrekt als eerste. Workum is uitgelopen voor een blik op wat is geweest en niet meer terugkomt. Sommigen helpen trekken, anderen genieten met de handen op de rug van de langzaam wegzeilende scheepjes.

Ik voe! spanning in mijn buik en aan de gezichten om mij heen zie ik dat ik niet alleen ben. Als ik de verhalen mag geloven, kom ik thuis met voldoende zeilerslatijn om het een maand goed te doen in de kroeg. En, laten we wel wezen, dat is toch het ultieme doel van dit soort uitjes. Erover ouwehoeren is minstens zo belangrijk.

Wij Beurtveerders mogen de vaart uitmotoren en hijsen intussen de zeilen. De lier ratelt soepel, de mast is met uierzalf ingewreven. Ik ben met zeven anderen ingedeeld op het voordek. We hijsen het grootzeil. de genua en de grote kluiver. Achterop vliegt de bezaan omhoog. Over de startlijn, we zeilen! Tot zover alles goed.

De wind blaast vijf uit het zuidwesten en onze eerste halte is Medemblik. Van ons voordekkers kent niemand het schip door en door; het is dan ook zoeken naar de taakverdeling. Laura en Saskia zijn de kluivernisten. Zij zullen steeds het net ingaan om zeilen te wisselen. We hebben allemaal een buddy gekregen, zodat er ten minste een van ons altijd aan dek is. Fotograaf Saskia is mijn dubbel. Ik vraag me af of we nu ook hand in hand mogen lopen. Saskia is erg charmant.

Die gedachte is snel voorbij als de eerste overstag eraan komt. Het is chaos op het voordek. We zijn niet voorbereid en lang na de overstag klapperen de voorzeilen nog steeds. We rennen rond en schreeuwen flink door elkaar heen. Het achterdek is niet tevreden en dat laten ze, niet zachtzinnig, maar wel duidelijk weten. Eindelijk staan de zeilen en puf ik uit. Die genua is belachelijk groot...

Tijdens de volgende klap zijn we iets beter voorbereid, maar het mag niet baten. De genua is gewoon te groot voor de beperkte ruimte. De schoot slaat in de overstag langs de lier van het grootzeil. Hij neemt een hendel mee en het grootzeil valt een stuk naar beneden, totdat iemand in een reflex de rem aantrekt. Intussen klappert de genua als een Volendams meisje bij een Jan Smit-concert.

"De kluiver is gescheurd!"

"Naar beneden met dat ding!" Patricia rent naar het val. Laura en Saskia klimmen het net in.

"Iemand bij de neerhaler! lemand!" Nico staat er al bij, terwijl Bob en Grete nog steeds proberen de genua in bedwang te krijgen. Saskia rent richting Nico en de kluiver komt langzaam naar beneden.

"He, het grootzeil!" Ik slinger aan de lier totdat mijn arm lijkt te ontploffen. Dit is pas het eerste rak. Het gaat een lange reis worden, als je het mij vraagt.

De eerste haven Medemblik inlopen blijkt een koud kunstje als je even vergeet dat we bijna op het basalt lopen. Maar Arno is op tijd de boot uit, houdt af en klautert met een lijn naar de remming. De loper springt van boord om naar het havenkantoor te rennen voor een stempel. Een klipper vaart ons klem tegen de remming. Hé, wat gebeurt daar nou? Onze loper is terug, maar wordt vastgehouden door de concurrentie! Wát een...! Kom op nou! Het schip dat eerst nog naast ons lag, schuift nu naar voren. We kunnen draaien. De genua gaat omhoog en bak over stuurboord. De bezaan bak over bakboord en met nauwelijks marge draait de Waterman.

"Over." We laten de genua schieten en varen ruime wind de haveningang uit. Daarna loeven we op richting Lelystad. Het is half acht en grote kluiver nummer twee doet zijn werk goed. We zetten er een babyfok bij en hijsen de halfwinder. Het middendek hangt het waterzeil onder het grootzeil en trekt er een stagzeil bij. Dit gaat, joh, niet te geloven! Het wordt donker en we trekken onze zwemvesten aan. Iedereen krijgt een breekstaafje omgehangen, veiligheid voor alles.

Medemblik-Lelystad is een lang rak en ik heb dan ook tijd om eens achter te gaan kijken. Daar bemoeien Wietske en Gerard zich met de navigatie, met passer en driehoeken in de aanslag. De ouderwetse manier, hoe je het ook wendt of keert een langzaam verdwijnend ambacht. Wietske buigt zich over de kaart en geeft posities en koersen door. In het logboek houden ze iedere overstag en iedere zeilwisseling bij, als bewijs voor later. Er wordt stevig gerookt. Buiten proberen Jan en Maaike koers te houden tijdens de bewolkte nacht, zonder duidelijke oriëntatiepunten. Aan alle stagen hangen stukjes cassette band, om de wind­richting te verraden. Het geritsel i

In het donker naast ons doet nog het meest denken aan sprinkhanen op volle zee.

De koks komen zeggen dat het eten klaar is en de eerste ploeg verdwijnt onderdeks. Intussen leer ik op het voordek mijn ploeggenoten wat beter kennen. Vijf vrouwen, drie mannen. Sowieso zijn er opmerkelijk veel vrouwen aan boord. Is het dan echt zo dat mannen, na een bepaalde leeftijd, liever met een biertje in de hand en de witte sokken op de salontafel tv kijken? Ik wrijf eens over mijn buikje en kan moeilijk ontkennend antwoorden. In ieder geval lijkt de chartervaart langzaam overgenomen te worden door vrouwen, waar het een paar jaar geleden nog een echt mannenberoep was.

Om twaalf uur 's nachts naderen we Lelystad, waar we in de luwte een stuk naar binnen kruisen. Vlakbij de sluis gaan de zeilen omlaag en de motor aan. We moeten ons aan alle geldende regels houden en dat betekent in dit geval: niet zeilen in de sluis. Als we Lelystad voorbij zijn, gaat alles snel weer omhoog, inclusief aandewinds waterzeil. Koers Hoorn.

Ook dit is een redelijk lang rak en sommigen benutten het om wat te slapen. Ik blijf liever buiten. Ik ben niet moe, al voel ik het vele draaien en slingeren in mijn armen. Laura en Saskia zijn er erger aan toe: zij zijn al een hele dag het net in en uit gerend om zeilen te wisselen. Het kan altijd erger, denk ik bij mezelf en met een gevoel van welbehagen kruip ik iets dichter tegen degene naast me aan. Toch wel een mooi avontuur tot nu toe, ik ben van nature niet zo geneigd tot echte ontbering. Als Ferry en Remco dan ook nog langs komen met koffie en tosti's, lig ik eigenlijk heel stilletjes te genieten. Laat ze het niet merken...

Hoorn varen we aan de hoge kant binnen. We zetten een lijn op de rondvaartboot die voor de gevangenis ligt. We laten ons langzaam naar de lagerwal drijven, waar we op de kop van het Houten hoofd willen aanleggen. Er wordt een lijn gegooid. Mis!

"Roeien!" De haven van Hoorn is bijzonder mooi bij nacht, maar deze nacht krijg ik er weinig van mee.

We steken lange roeiriemen door aan de reling geknoopte lussen. Het is moeilijk om een ritme te vinden en we slaan elkaar steeds weer op de bladen. Mijn buddy Saskia en ik zetten iets te veel kracht op een slecht moment. Het hout splijt met een klap uit elkaar. Snel een nieuwe erin, we mogen niet verder naar lager wal drijven.

Gooien nou, wat duurt dat lang! We roeien en roeien en vinden iets dat lijkt op een ritme. Nog een poging om te gooien. Raak, we hebben een lijntje. De loper rent van boord en wij brengen de jaaglijn om de kop, zodat we die alvast aan stuurboord hebben.

Marcel wil intussen het zwaard opdraaien. Dat doet hij de hele wedstrijd lang, waarvoor ik in diepe nederigheid het hoofd buig. Bij het draaien op de plaats is de zwaardtalie gebroken en het zwaard blijft in de modder hangen.

We jagen het schip naar de hoge wal door een blok bij de bezaanmast vast te maken. De lijn komt van de boeg, loopt door het blok en gaat weer terug naar voren. Daardoor kunnen we in kringetjes lopen en het schip redelijk op gang houden. Ook jagen is wennen en ik ben al snel kapot. Mijn bovenbenen staan in de fik en mijn handen zijn duidelijk niet meer gewend aan ruw touw. Als we eindelijk de hoge wal hebben bereikt, steek ik met trillende handjes een sigaretje op. Gelukkig ben ik te moe voor reflectie.

Wij maken de zeilen in orde, terwijl anderen het zwaard repareren. Met het val van het grootzeil takelen ze de zware houten constructie uit het water. Omdat het val niet lang genoeg is, binden ze er een touw aan. Plotseling klinkt een knal en het val schiet de mast in, meer dan twintig meter omhoog. Het zwaard stort met donderend geraas naar be­neden.

 "Wie klimt erin?"  Maaike biedt zich aan en wordt onmiddellijk omhoog gehesen. De tweede poging lukt en de zwaardtalie wordt opnieuw bevestigd. Dit heeft veel tijd gekost! Bij het naar buiten varen merken we waarom de Waterman zo'n fijn schip is. Voordat het al te veel hoogte verliest, loopt het al vaart. We vallen dan ook zonder problemen door het jachtengat en gaan op weg naar Volendam. Het is half vijf 's ochtends. Ik ben vanaf zeven uur wakker en we zijn veertien uur onderweg.  Na een aantal keren overstag te zijn gegaan, bereiken we rond half acht Volendam. Hoewel er steeds meer van ons team zo nu en dan ontbreken, gaan de manoeuvres stukken beter. Iedereen begint zijn plek te kennen en naarmate de vermoeidheid toeneemt, doet de saamhorigheid dat ook. We hebben de juiste techniek gevonden om de genua redelijk snel in bed wang te krijgen en de organisatie staat. In dit stadium is het erg fijn om gewoon maar dom te weten wat je moet doen.

Volendam binnenvaren gaat niet volgens plan, maar ik begin me langzamerhand af te vragen of er iiberhaupt wel iets volgens plan kan gaan. We schieten door de haveningang, waar we een lijntje hadden willen hebben, en zeilen de haven binnen. Snel gooien we het anker erin en met de surf plank wordt er een lijntje naar de wal gebracht. We jagen het schip langszij een ander en de loper springt van boord. Wij hangen alweer in de jaaglijn om het schip naar de havenmond te brengen. Jan brengt een lijn naar de kop van de haven en wij proberen de Waterman met een vaartje te lanceren. Hup, daar schieten we er al weer uit. Dat ging lekker, mensen. Volgende halte: De Blocq van Kuffeler. De zon begint te schijnen, we hebben de wind in de rug en door mijn vermoeidheid voel ik mijn spieren niet al te erg. De dag brengt zoals altijd nieuwe hoop en nieuwe kracht. We beginnen weer een beetje te praten en het duurt niet lang voordat de eerste lach te horen is. De koks brengen nog iets warms te eten en ik voel me plots stukken beter.

Het aanleggen bij De Biocq van Kuffeler verloopt zonder noemenswaardige problemen, voor wie niet op een of twee gebroken trossen meer of minder kijkt. Ik kijk inmiddels nergens meer van op en laat me zo snel mogelijk weer met een diepe zucht op het stalen dek vallen. We kruisen in de richting van Durgerdam en met een paar slagen zijn we er. De wind is afgenomen vergeleken met gisteren en daarbij varen we hier in de relatieve luwte. Ik voel de zon op mijn gezicht, mijn ogen vaIlen dicht.

"Klaar om te wenden'"

Ik raap mijn moed nog een keer bij elkaar en begeleid de schoot naar de overkant. Voor Durgerdam tel ik al een stuk of tien schepen. Dat betekent dat we het niet zo best hebben gedaan, of zouden zij niet al die havens aangelopen hebben? We hebben geen idee, natuurlijk, maar het grote speculeren kan beginnen. We maken een opschieter en laten het anker vaIlen. Ankerbal omhoog, biertjes op dek, voeten drogen, zeilerslatijn in wording spuien en daarna knock­out op mijn bedje vallen. De verplichte rust is begonnen.

Vijfeneenhalf uur later ben ik klaarwakker. Het is bedompt in het hutje waar we met drie volwassenen liggen te slapen. Met de eersten die wakker zijn, zetten we koffie en niet veel later kunnen we opnieuw beginnen. Om half tien 's avonds draaien we het anker omhoog en zetten we de zeilen. De wind is voorlopig nog zuidwest, maar zal in de loop van de volgende dag naar het noorden draaien. We hebben stille hoop veer die tijd weer in Workum te zijn.

We zetten alle zeilen die we kunnen vinden en kruisen het stuk naar Lelystad ruim af. Ik zit voorop en houd uitkijk. Steeds als ik de lichten van een naderend schip ontwaar, schreeuw ik de positie en koers naar achteren. Deze nacht is helderder en het zicht is goed. Het duurt niet lang voor we Lelystad weer bereiken en de zeilen laten zakken. Het voelt alsof we aan een heel nieuwe wedstrijd zijn begonnen, niet aan een tweede etappe.

Na de sluis moeten we een aantal keer gijpen. Ook die manoeuvres gaan beter en beter. Hoewel ik nu minder kracht heb dan gisteren, lijkt het wel of het allemaal minder kracht kost. Een uur voor Urk besluit ik dan toch voor het eerst even naar binnen te gaan. Ik durf niet te zeggen of het zwart voor mijn ogen alleen met de nacht te maken heeft.

Urk komt als een verrassing voor iedereen. Ik ben nog beneden als we al zowat voor de wind de haveningang doorstuiteren.

"Eraf die zeilen'" Iedereen weet wat hij moet doen, de zeilen vallen zonder problemen. De kade blijft akelig snel dichterbij komen. "Smijt het anker erin'" Er staat niemand bij het anker. Jan komt aanrennen. "Het anker wil niet vallen'" Wat komt die kade dichtbij! Dat beton ziet er zo hard uit als beton, mensen. Achter me hoor ik een plons. In een uiterste krachtsinspanning smijten ze het loodzware hekanker over de reling. "Houd je vast!" We knallen op de kade. Het willetje dat iemand tussen het schip en de kade houdt, spat uit elkaar als een ballon op de kermis.

"He, wakker worden! Een touwtje op de kant." We hebben geen tijd om van de schrik te bekomen en inspecteren snel de schade. Het bakboordanker heeft de klap grotendeels opgevangen en nu is het zaak om snel weg te komen van lagerwal. We brengen de lijn van het hekanker naar voren en trekken de kop ernaar toe. Op het achterdek trekken ze het schip de andere kant op en we draaien, net aan, door de wind. Het grootzeil en de fok vliegen omhoog, we lopen vaart. "Iedereen klaar maken voor overstag'  We rennen naar onze posten. De Waterman draait in de veel te kleine haven en vindt direct weer snelheid. Nog een keer door de wind en we zijn het havengat weer uit. Stof tot napraten.

Het is midden in de nacht en we zijn op weg naar Lemmer. De wind begint al westelijker te worden, we moeten opschieten. Als we bij Lemmer komen wordt het dag. Met een sierlijke manoeuvre draaien we tot in de wind en laten de voorzeilen vallen. Langzaam glijden we naar een binnenschip aan het begin van de haven. Touwtje erop, achterschip naar de kant. Daar past een zachtgekookt eitje tussen, het kan dus wel.

In een vloek en een zucht is de loper terug en springt weer aan boord. We draaien om de kop van de haven, waar de Bruinvisch hinderlijk in de weg ligt. Het levert spannende momenten op, we moeten kruisen. Ais ik die genua nog een keer bak moet houden...

"Bak'" Daar word ik dus niet vrolijk van. Mijn handen zijn rood en koud. Het klapperende zeil rukt zich steeds gemakkelijk uit mijn handen, ik kan nauwelijks meer kracht zetten. De wind draait naar het noordwesten. Hè, fijn, nu mogen we tenminste kruisen naar Workum. Ik ben de tel kwijt. Hoe vaak zijn we nu al overstag ge­gaan om hier weg te komen? Geen idee, niemand trouwens. We doen ons werk als robots, er wordt weinig gepraat. Als we eindelijk onder de beschutting van het vasteland uit zijn, steekt de wind op. Het wordt windkracht zes en de genua is nauwelijks te houden. Iedere overstag doet pijn, vooral omdat we allang niet meer compleet zijn. We doen het werk, dat we gisteren met zijn achten deden, nu met zijn vijven. Het water stroomt door het gangboord, de voorbolders worden overspoeld met water. 0, gelukkig, het begint te regenen. Mijn voeten, die net nog ijsklomp­jes waren, zijn nu gletsjers geworden. Ik voel het ijswater langs mijn benen naar beneden stromen.

Dit wordt te gek. We varen ruim negen knopen aan de wind; dit slaat nergens meer op. Die genua moet er af. Ik voel de koude rillingen op mijn rug als we de fok voor de genua hijsen. Wat staat er een druk op het voorschip!

Patricia laat de genua vallen en wij hijsen hem zo goed als het kan aan boord. Snel een touw eromheen en vast aan de reling. Hoe lang gaat dit nog duren?

Nog wel even, blijkt. De laatste loodjes wegen het zwaarst en zo hoort dat ook. Maar we naderen Workum nu onverbiddelijk, kruisen langs het Vrouwenzand, Stavoren voorbij en zien de invaart liggen. Zullen we moeten jagen of kunnen we de vaart inzeilen? Saskia en ik visualiseren hoe we rustig en ma­jestueus de haveningang door zeilen. Baat het niet, dan schaadt het niet en de gedachte aan een jaaglijn bezorgt me een heel naar gevoel. Maar kijk, we hebben geluk. Ais we vlak voor Workum liggen, breekt de zon door. De wind blijkt gunstig genoeg en met een oorverdovend gevoel van opluchting glijden we over de finish. Half vier 's middags, thuis!

Tekst: Jan Verschuur, Foto's: Saskia van der Sluis, Zeilen 12 2007